zoek

Groot interview met Jan de Ridder (directeur Rekenkamer Metropool Amsterdam)

25/10/2010  Jan de Ridder is sinds augustus de nieuwe directeur van de Rekenkamer Amsterdam, de rekenkamer voor de gemeenten Amsterdam, Zaanstad en de zeven stadsdelen van Amsterdam. Daarvoor werkte hij bij de Universiteit van Amsterdam. Delokalerekenkamer.nl interviewde De Ridder over zijn achtergrond, de discussie omtrent zijn aanstelling, onderzoekstrends en zijn visie op de toekomst van de lokale rekenkamer.

 

Wetenschappelijke carrière

Op wetenschappelijk gebied deed De Ridder onderzoek naar politieke media en communicatieprocessen binnen bedrijven. In het kader van dat laatste deed hij met zijn onderzoeksgroep ook veel opdrachten voor bedrijven. “Waarom komen jullie naar ons toe, vroeg ik ze weleens. Nou, omdat jullie vanwege jullie wetenschappelijke onafhankelijkheid gewoon zeggen hoe het zit, ook al vind ik dat als opdrachtgever niet altijd leuk om te horen.”

 

Hierin schuilt volgens hem de relatie met rekenkameronderzoek. “Een rekenkamer moet een onafhankelijk geluid durven laten horen, ook als de ambtelijke organisatie, het bestuur en/of de raad dat niet leuk vinden. Maar het moet wel op een zodanige manier gebeuren dat al deze klanten het uiteindelijk accepteren. Na twintig jaar wetenschappelijk onderzoek heb ik geen enkele neiging om onderzoeksresultaten aan te passen aan verlangens van opdrachtgevers. Wat dat betreft ben ik door de wetenschap eigenwijs geworden. Of gebleven. Een goede eigenschap voor een onderzoeker, zeker ook voor een rekenkameronderzoeker,” vindt De Ridder. “Eigenwijsheid moet natuurlijk wel ergens op gebaseerd zijn. Daarom moet de kwaliteit van het onderzoek altijd bovenaan staan. Zonder goed onderzoek heb je niet meer recht van spreken dan elke willekeurige andere burger.”

 

Politieke carrière

Jan de Ridder was zes jaar lid van de gemeenteraad van Haarlem, zat ook 6 jaar in de rekenkamercommissie en was daarvan vier jaar de voorzitter. Deze commissie bestond uit raadsleden en externe leden. De Ridder over die tijd: “Het is zeker een aardig model, aangezien de commissie goed is ingebed in de raad. Het is overigens wel afhankelijk van de deskundigheid en expertise van de raadsleden die zitting hebben in de commissie.” De Ridder constateert dat de deskundigheid om lid te zijn van een rekenkamer anders is dan de deskundigheid die iemand nodig heeft om in de raad te functioneren.

 

Discussie omtrent zijn politieke kleur

Jan de Ridder begint tijdens het interview zelf over de discussie die ontstond bij zijn voordracht als directeur van de Rekenkamer Amsterdam. Deze discussie ging over zijn politieke profiel als raadslid van de PvdA in Haarlem in relatie tot de onafhankelijke rol die een rekenkamer moet vervullen.

“Ik ben zelf altijd heel eerlijk en transparant geweest over mijn politieke rol in Haarlem. Ook is het natuurlijk een illusie om te denken dat andere mensen in Nederland, die niet ergens in de raad zitten, geen voorkeuren hebben. Het gaat er meer om hoe je met die “voorkeuren” omgaat bij het vormgeven van het rekenkamerwerk. Voor mij persoonlijk is dat eigenlijk nooit echt een thema geweest omdat ik de opvatting heb dat raadsleden van elke politieke kleur bij het uitoefenen van de controlerende functie eensgezind horen op te treden. In die zin lopen de belangen van een raad en een rekenkamer parallel. De onderlinge politieke verschillen moeten vooral bij het kaderstellen blijken. De controlefunctie van de raad moet zoveel mogelijk gedepolitiseerd zijn. Daar heb ik me in Haarlem altijd hard voor gemaakt en dat zal ik ook hier doen. In Haarlem ging dat overigens prima. Nooit heb ik ervaren dat er gebrek aan draagvlak was voor wat wij deden als rekenkamercommissie in Haarlem.”

 

Belangrijke competenties voor een rekenkamer

Welke competenties moet een rekenkamer bezitten?

“Het draait om kwaliteit, onafhankelijkheid en draagvlak voor je werk in de raad. Elk model heeft zijn nadelen. In Haarlem had ik nauwelijks problemen met het draadvlak omdat de rekenkamercommissie ingebed was in de raad. Waar we vooral om moesten letten is om de politieke actualiteit niet teveel de onderzoeksagenda te laten bepalen. Daarnaast is de kwaliteit in zo’n model minder gegarandeerd dan bij een professionele rekenkamer. Bij de rekenkamer waar ik nu leiding aan geef, is vooral het contact met de diverse raden belangrijk om het draagvlak voor wat we doen in stand te houden en te vergroten. Zonder kwaliteit en onafhankelijk draagt een rekenkamer weinig bij aan de verbetering van het lokaal bestuur, maar zonder contact en draagvlak wordt een rekenkamer al snel een roepende in de woestijn.”

 

Hoe gaan jullie als rekenkamer hiermee om?

“Per 1 juni staat de rekenkamerfunctie van de deelraden op de zogenaamde A-lijst van de Centrale Stad. Sindsdien werken we voor de gemeenteraad van Amsterdam en Zaanstad en de zeven deelraden van Amsterdam. Een afvaardiging van de zeven deelraden hebben zitting in een klankbordgroep. In Zaanstad communiceren we vooral met de auditcommissie en voor de Centrale Stad van Amsterdam met de rekeningcommissie. Toch vind ik het belangrijk om ook rechtstreeks contact te houden met andere raadscommissies, de deelraden en politieke fracties. Als directeur van de Rekenkamer wil ik hiermee mijn overtuiging uitstralen dat de rekenkamer dienstbaar is aan de raad.

 

Heeft u nog wel tijd voor onderzoek, naast uw externe contacten?

“Ik kan het niet laten om me er niet mee te bemoeien. Daarnaast vind ik het belangrijk om inhoudelijk betrokken te blijven bij projecten. Ik schat in dat ik ongeveer de helft van mijn tijd bezig ben met onderzoek doen.”

 

Onderzoekstrends

Hoe selecteert de Rekenkamer Amsterdam haar onderzoeksonderwerpen?

“Allereerst is het belangrijk om de gevoelens van de raad te proeven. Maar daarnaast probeer je als rekenkamer ook signalen op te pikken uit de ambtelijke organisatie en uit de burgers van de stad. In Haarlem deden we ook weleens ‘pottenkijkersonderzoekjes’. We selecteerden een stuk of zeven onderwerpen uit de programmabegroting en hielden vervolgens open gesprekken met een aantal ambtenaren. Door systematisch te proberen allerlei signalen op te vangen zorg je als rekenkamer dat je de onderzoeksagenda een fundament geeft.”

 

Welke onderzoekstrends ziet u in de komende jaren?

“Naast de actualiteit die we moeten registreren door het voeling houden met belangrijke stakeholders, zie ik een aantal terugkerende thema’s. Ten eerste moet je als rekenkamer met enige regelmaat de kwaliteit van gemeentelijk handelen onderzoeken. Af en toe moet je prikken in de organisatie om te zien of de dingen goed verlopen, zoals een onderzoek naar dienstverlening of subsidieverstrekking.

Een tweede thema is de kwaliteit van de informatievoorziening voor de besluitvorming in de raad. Als de raad beleid vaststelt, is dat dan altijd op deugdelijke en behapbare informatie gebaseerd? Een relevant en actueel voorbeeld is de bezuinigingsopdracht waar alle gemeenten mee worstelen. De ambtelijke organisatie levert materiaal aan de raden. Dit moet een goed en zorgvuldig proces zijn, zodat de raad op basis van deugdelijke informatie politieke keuzes kan maken. Je zou het kunnen benoemen als een onderzoek naar de doeltreffendheid van de ambtelijke voorbereiding en informatievoorziening aan de raad.

Een derde thema dat ik erg relevant vind, is de vaagheid van doelstellingen omtrent maatschappelijke effecten. De lokale overheid pleegt interventies om maatschappelijke effecten te bereiken, maar wat wordt er precies bedoeld met sociale cohesie en wat wil men nu precies bereiken met handhaving, buurgericht werken, of burgerparticipatie? Ik verwacht dat dit thema de komende jaren in sommige onderzoeken zeker aan de orde zal komen. Niet altijd als onderzoek op zich, maar als een rode draad in een aantal onderzoeken. Daarbij is het belangrijk dat je niet alleen volstaat met de opmerking dat het allemaal weer niet helder, duidelijk en SMART is, maar dat je ook vanuit je onderzoekservaringen meedenkt over hoe het beter zou kunnen."

 

Toekomst van lokale rekenkamers

Hoe ziet u de toekomst van lokale rekenkamers?

“Zelf geloof ik erg in het belang van lokale rekenkamers. Natuurlijk zijn er lastige punten en is het legitiem dat de Rijksoverheid kritisch naar de rekenkamers kijkt. In de kleine gemeenten is het bijvoorbeeld vaak moeilijk om de kwaliteit van het onderzoek op peil te houden. Na de jaren van pionieren zie je nu dat veel rekenkamers reflecteren en willen verbeteren. In zekere zin is evaluatie door de Rijksoverheid wel een goed signaal aan lokale rekenkamers om zich te bewijzen. In de komende jaren moeten de rekenkamers laten zien wat hun toegevoegde waarde is. Maar daarvoor moeten ze dan ook nog wel de tijd krijgen. Ik vind dat het nu te vroeg is om de lokale rekenkamers aan een definitief oordeel te onderwerpen.

 

Daarnaast zou het ook goed zijn om eens te kijken naar het hele scala aan onderzoek dat wordt uitgevoerd in een gemeente. Als er al bezuinigd moet worden op onderzoek. Waarom dan juist op rekenkameronderzoek? Wat is de juiste verhouding tussen onderzoeken vanuit de raad, rekenkamer, college en ambtelijke organisatie? Je zou naar het geheel moeten kijken en niet geïsoleerd naar de rekenkamer op zich. Zo’n metaonderzoek naar de doeltreffendheid en doelmatigheid van allerlei onderzoek binnen de gemeente zou eigenlijk ook wel een interessant onderzoeksthema zijn.”

 

Peter Joosten is onderzoeker/adviseur voor Necker van Naem. Hij was betrokken bij diverse rekenkameronderzoeken.

Home ›
Terug ›

Website ontwerp en CMS: webdesignbureau Noah Design