zoek

Regionaal Vrijdagmiddagje Midden-Drenthe

Gemeenten hebben een belangrijke rol in het bevorderen van de economische en maatschappelijke participatie van haar inwoners. De invoering in de afgelopen jaren van de wetten Participatiebudget, de Wet Investeren in Jongeren en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) maakt de gemeenten verantwoordelijk voor het ontwikkelen van visie, doelen en behalen van resultaten binnen deze beleidsvelden. Bezuinigingen vanuit het rijk en lokale ombuigingen maken dat gemeenten nadrukkelijker keuzes moeten maken over middelen en mogelijkheden van ondersteuning. De Wmo is dan ook een actueel onderwerp voor rekenkameronderzoek. Daarom was het onderwerp op het tweede Regionaal Vrijdagmiddagje van 2011: ‘Onderzoek naar de Wmo'.

 

Onderzoek naar Wmo

Het tweede regionaal vrijdagmiddagje van 2011 vond vrijdag 24 juni plaats in Midden-OuderenDrenthe. Leden en secretarissen van de rekenkamers en griffiers uit de provincies Groningen, Drenthe, Friesland, Flevoland en Overijssel verzamelden zich in de raadszaal van de gemeente Midden-Drenthe voor een middag waar het onderzoeksthema Wmo centraal stond. Wat kan de gemeente met de Wmo en welke ruimte heb je als raad om te sturen? Waar moet je als rekenkamercommissie het onderzoek op richten? Deze vragen kwamen aan bod tijdens dit regionaal vrijdagmiddagje voor de regio Noord.

 

Spoorboekje vs. Samenlevingsopbouw

Na een welkomstwoord van Harry Zomer, voorzitter van de rekenkamercommissie Midden-Drenthe, trapt Roelie Goettsch, directeur van de Stichting Welzijn Midden-Drenthe, het thema ‘Wmo' af. In relatie tot het doen van onderzoek gaat ze in op het meetbaar maken van de resultaten. Gemeenten hanteren verschillende stijlen. In haar inleiding licht ze twee typen gemeenten toe: het gaat om de tweedeling tussen marktwerking en bureaucratie of tussen instrumenteel en conceptueel. Gemeenten die alles willen ‘vastleggen' versus gemeenten die meer ‘vrijlaten'. Bij vastleggen horen productenboeken, bureaucratie, cijfers, controlitus. Bij vrijlaten wordt gestuurd op outcome en minder met de rest bemoeid. Volgens Roelie Goettsch gaan gemeenten nu nog vooral voor het eerste en willen gemeenten allerlei informatie hebben die hen niets zegt over maatschappelijk rendement. Het blijkt moeilijk om uit die rol te stappen.

 

Gemeenten kennen natuurlijk ook een mengeling van stijlen, maar het verschil tussen productbenadering en benadering op de effecten op de lange termijn is aanwezig. Haar conclusie is dan ook dat de methodiek van de rekenkamer moet passen bij de stijl van de gemeente op het terrein van Wmo.

 

(On)mogelijkheden van onderzoek naar Wmo

Onderzoek naar de Wmo is ‘hot', er zijn veel rekenkamers die het thema oppakken. Maar een onderzoek naar dé Wmo is onmogelijk, vindt de gespreksleider van de middag en tevens onderzoeker Barn Geurts (Necker van Naem). Je moet een paar aspecten onderzoeken en het thema afbakenen. Populaire keuzes in onderzoek zijn: het proces van invoering, de communicatie naar burger en raad, een of meerdere prestatievelden uitlichten, zoals prestatieveld 6 (individuele voorzieningen).

 

Over de relatie tussen maatschappelijke effecten en Wmo-beleid is het lastig conclusies te trekken, daar zit de spanning in dit onderzoeksthema. "Durft de rekenkamercommissie daar uitspraken over te doen?", vraagt een deelnemer zich af. Barn Geurts beargumenteert dat directe causaliteit bijna niet valt aan te tonen, maar dat onderzoek naar de randvoorwaarden voor effectief Wmo-beleid zeer goed mogelijk is. Voorbeelden van dergelijke waarborgen zijn een goede afstemming met externe partners, duidelijke afspraken over de regie en opdrachtgeversrol van de gemeente en kennis van de lokale context.

 

Beeld uit Wmo-onderzoeken

Barn Geurts licht het beeld toe dat Necker van Naem heeft gekregen na een aantal jaren Wmo-onderzoek. Gemeenten zijn druk bezig om het proces onder controle te krijgen. Er zijn steeds nieuwe ontwikkelingen, waardoor gemeenten reactief handelen en er onvoldoende tijd over blijft voor reflectie. Het voeren van een regierol is lastig voor gemeenten.

 

Inmiddels, vier jaar na invoering, liggen er uitdagingen op dit gebied. Hoe organiseer je de samenwerking met ketenpartners? Welke rol neem je hierin als gemeente? Rotterdam financiert bijvoorbeeld ketens van organisaties in plaats van instellingen te subsidiëren. Hiervoor is een goede afstemming nodig en een goede vertrouwensrelatie. Tot slot komt ook het beeld naar voren dat de raad onvoldoende aan de invulling van de kaderstellende en controlerende rol toekomt bij de Wmo, maar dat de raad deze rol zelf ook niet oppakt. Hierin liggen uitdagingen voor de komende jaren.

 

Aan de slag

Ter afsluiting bespreekt Barn Geurts nog een aantal methodieken met de deelnemers, zoals het uitvoeren van een kleine benchmark, het houden van groepsgesprekken, bijeenkomsten met ketenpartners van de gemeenten en werksessies met ambtenaren en bestuurders. De rekenkamercommissies kunnen aan de slag.

 

 

 

Website ontwerp en CMS: Noah Design